Derogatie: geen extra mestplaatsingsruimte meer
Vanaf 2026 is de derogatie definitief beëindigd. Dat betekent dat bedrijven geen derogatievergunning meer kunnen hebben en geen hogere norm voor stikstof uit dierlijke mest meer mogen gebruiken dan de algemene norm.
In de praktijk betekent dit dat veel melkveebedrijven en gemengde bedrijven minder mest op eigen grond kwijt kunnen dan in voorgaande jaren. De extra ruimte die er onder derogatie was, valt weg, waardoor de behoefte aan mestafvoer en mestverwerking toeneemt en de kosten op veel bedrijven stijgen.
GLB en eco-regeling: voorwaarden aangescherpt
Het GLB blijft ook in 2026 een belangrijke inkomstenbron via basispremie en eco-regeling, maar de voorwaarden verschuiven. In 2026 is geen nieuwe lijst met eco-activiteiten toegevoegd, maar er zijn wel aanpassingen in de waardering en voorwaarden van bestaande activiteiten.
Adviseurs wijzen er bijvoorbeeld op dat de waardering van bepaalde stikstofbindende gewassen en de eisen aan groene bedekking en rustgewassen zijn aangescherpt. Boeren doen er daarom goed aan om hun eco-strategie opnieuw te laten doorrekenen, zodat de gekozen combinatie van activiteiten nog steeds genoeg punten en opbrengst oplevert.
Rustgewasverplichting op zand- en lössgrond
Voor zand- en lössgrond loopt een meerjarige verplichting om in een bepaalde periode rustgewassen op percelen in te passen. In veel overzichten voor 2026 wordt benadrukt dat ondernemers moeten nagaan of percelen in de periode tot en met 2026 voldoende rustgewas hebben gehad, en dat 2026 voor sommige percelen het laatste jaar is om aan de eis te voldoen.
Rustgewassen zijn gewassen die de bodem ontlasten en bijdragen aan structuur en organische stof. Het gaat bijvoorbeeld om bepaalde granen of andere minder intensieve teelten. Door in “Mijn percelen” en de bedrijfsadviezen te kijken, kan een teler zien welke percelen al meetellen en waar in 2026 nog een rustgewas in het bouwplan nodig is.
Landbouwareaal en gebruiksduur
In de informatie voor 2026 wordt het begrip landbouwareaal strakker omlijnd. Grond moet overwegend agrarisch worden gebruikt om voor GLB-steun in aanmerking te komen. Bij langdurige niet-agrarische activiteiten op landbouwgrond kan een perceel zijn status als subsidiabel landbouwareaal verliezen.
Een veelgenoemde grens is dat niet-landbouwgebruik niet langer dan een beperkte periode per jaar mag duren en het landbouwkundig gebruik niet wezenlijk mag hinderen. Ondernemers wordt geadviseerd om per perceel na te gaan of activiteiten zoals tijdelijke opslag, niet-agrarische verhuur of andere vormen van gebruik binnen de gestelde kaders blijven.
Administratie: I&R, gewascodes en extra vragen
Naast de grote beleidswijzigingen zijn er ook administratieve aanpassingen. In de overzichten voor 2026 staat dat er opnieuw extra vragen worden gesteld via de Gecombineerde opgave in het kader van de Europese landbouwtelling. Het gaat om meer detail over bedrijfsstructuur, dieraantallen, huisvesting en mest- en gewasstromen.
Verder worden gewascodes periodiek aangepast: sommige codes vervallen, andere worden toegevoegd of gespecificeerd (bijvoorbeeld voor bepaalde notenbomen en nichegewassen). Boeren moeten bij de opgave van gewassen in 2026 dus goed controleren of de gebruikte codes nog actueel zijn en overeenkomen met de RVO-lijsten.
Fiscale veranderingen raken de kostprijs
Behalve regelgeving op mest en GLB verandert er in 2026 ook het nodige op fiscaal gebied. De zelfstandigenaftrek wordt verder afgebouwd en aan andere posten, zoals de mkb-winstvrijstelling en afschrijvingsmogelijkheden, wordt gesleuteld. Dat raakt rechtstreeks de netto-inkomenspositie van agrarische ondernemers.
Accountants en fiscale adviseurs benadrukken dat boeren de nieuwe regels moeten meenemen bij investeringsbeslissingen, bijvoorbeeld bij de keuze voor uitbreiding, vervanging van mechanisatie of een andere ondernemingsvorm. Door scenario’s door te rekenen, wordt duidelijk hoe 2026 fiscaal uitpakt voor het eigen bedrijf